عربى

Nederlands

أفعال - Werkwoorden

ينصح

adviseren

يتيح

toestaan

يقدم

toepassen

يسأل

vragen

يجاب

brengen

يشتري

kopen

يكلم

bellen

يقدر

kunnen

يأتي

komen

يعد

tellen

يبكي

wenen

يشرب

drinken

يقود السيارة

rijden

يأكل

eten

يشعر

voelen

يتشاجر

vechten

ينسى

vergeten

يحضر

krijgen

يعطي

geven

يذهب

gaan

يخمن

raden

يسمع

horen

يقبل

kussen

يعلم

weten

يتعلم

leren

يترك

vertrekken

يعيش

leven

ينظر

kijken

يحب

liefhebben

يفعل

maken

يعلم

aanduiden

يجب

moet

يحتاج

nodig hebben

يدفع

betalen

يلعب

spelen

يطبع

publiceren

يقرأ

lezen

يتذكر

onthouden

يقول

zeggen

يبحث

zoeken

يرى

zien

يبيع

verkopen

يرسل

versturen

يجب

moeten

يغني

zingen

يبتسم

glimlachen

يتكلم

spreken

يبقى

blijven

يدرس

studeren

يأخذ

nemen

يفكر

denken

يفهم

begrijpen

يمشي

wandelen

يريد

willen

يكتب

schrijven

  1. أفعال

    Werkwoorden

  2. ماذا قلت؟

    Wat hebben ze gezegd?

  3. نصحوني أن أذهب للمشي قبل النوم

    Ze adviseren me om een wandeling te maken voor ik ga slapen.

  4. كيف تشعر حالك اليوم؟

    Hoe voel je je vandaag?

  5. أشعر أنني أفضل من أمس, قد قمت ببعض التمارين الرياضية

    Ik voel me beter dan gisteren, ik heb wat oefeningen gedaan.

  6. هل يتكلمون الأنجليزية أم لغة أخرى؟

    Spreken zij Engels of een andere taal?

  7. والدي لا يتكلمون اي لغة أخرىو لاكنهم يفهمون بعض الإنجليزي

    Mijn ouders spreken geen andere taal, maar ze verstaan wel een beetje Engels.

  8. دعني أعرض لك مهاراتي في الفن

    Sta me toe om mijn vaardigheden in kunst aan jou te tonen.

  9. نسيت أقول أني قد تأخرت اليوم, أنا أسف

    Ik vergat te zeggen dat ik te laat was vandaaag, het spijt me.

  10. أذهب لمشاهدة الأفلام كل نهاية إسبوع

    Ik ga elk weekend films kijken.

  11. أود تعلم القيادة

    Ik zou graag leren autorijden.

  12. أني أنظر في أمر بيع تجارتي و من بعدها أحتاج بعض النصيحة لشراء منزل

    Ik wil mijn bedrijf verkopen en dan heb ik advies nodig over hoe ik een huis kan kopen.

  13. أرسلت الواجب عن طريق البريد الإلكتروني

    Ik stuur mijn huiswerk per e-mail.

  14. ابنتي تتعلم اللغة الإنجليزية

    Mijn dochter studeert Engels.

  15. أنا أذهب للمدرسة بالحافلة عادةً

    Ik neem meestal de bus om naar school te gaan.


إعلانات