over
about
tegenover
across
na
after
tegen
against
langs
along
rond
around
op
at
voor
before
onder
below
naast
beside
naast
besides
tussen
between
voorbij
beyond
door
by
ondanks
despite
tijdens
during
behalve
except
voor
for
van
from
in
in
binnen
inside
tegenovergesteld
opposite
uit
out
buiten
outside
voorbij
past
sinds
since
door
through
tot
to
met
with
zonder
without
-
Voorzetsels
Prepositions
-
Ik zie haar morgen op het werk.
I will meet her at work tomorrow.
-
Je kunt er alleen met de trein heen.
You can only go there by train.
-
Ze komen van verschillende achtergronden.
They come from different backgrounds.
-
De school begint in september
School starts in September.
-
Op zondag eten we pannenkoeken.
On sundays we eat pancakes.
-
De kinderen houden ervan om buiten te spelen.
The kids love to play outside.

