to advise
adviseren
to allow
toestaan
to apply
toepassen
to ask
vragen
to bring
brengen
to buy
kopen
to call
bellen
to can
kunnen
to come
komen
to count
tellen
to cry
wenen
to drink
drinken
to drive
rijden
to eat
eten
to feel
voelen
to fight
vechten
to forget
vergeten
to get
krijgen
to give
geven
to go
gaan
to guess
raden
to hear
horen
to kiss
kussen
to know
weten
to learn
leren
to leave
vertrekken
to live
leven
to look
kijken
to love
liefhebben
to make
maken
to mark
aanduiden
to must
moet
to need
nodig hebben
to pay
betalen
to play
spelen
to publish
publiceren
to read
lezen
to remember
onthouden
to say
zeggen
to search
zoeken
to see
zien
to sell
verkopen
to send
versturen
to should
moeten
to sing
zingen
to smile
glimlachen
to speak
spreken
to stay
blijven
to study
studeren
to take
nemen
to think
denken
to understand
begrijpen
to walk
wandelen
to want
willen
to write
schrijven
-
Verbs
Werkwoorden
-
What did they say?
Wat hebben ze gezegd?
-
They advised me to go and take a walk before going to sleep.
Ze adviseren me om een wandeling te maken voor ik ga slapen.
-
How do you feel today?
Hoe voel je je vandaag?
-
I feel better than yesterday, I did some exercises.
Ik voel me beter dan gisteren, ik heb wat oefeningen gedaan.
-
Do they speak English or any other language?
Spreken zij Engels of een andere taal?
-
My parents do not speak any other language but they can understand a little bit English.
Mijn ouders spreken geen andere taal, maar ze verstaan wel een beetje Engels.
-
Allow me to show you my skills in art.
Sta me toe om mijn vaardigheden in kunst aan jou te tonen.
-
I forgot to mention about being late today, I am sorry.
Ik vergat te zeggen dat ik te laat was vandaaag, het spijt me.
-
I go to watch movies every weekend.
Ik ga elk weekend films kijken.
-
I would like to learn how to drive.
Ik zou graag leren autorijden.
-
I am looking to sell my business then I need some advice on how to buy a house.
Ik wil mijn bedrijf verkopen en dan heb ik advies nodig over hoe ik een huis kan kopen.
-
I send my homework by email.
Ik stuur mijn huiswerk per e-mail.
-
My daughter is studying English language.
Mijn dochter studeert Engels.
-
I usually take the bus to go to school.
Ik neem meestal de bus om naar school te gaan.

